

Deze boerderij draagt in zijn kern sporen uit de 17de eeuw, het gevelsteentje met de datum 1786 verwijst naar de uitbreiding van de woning aan de noordoostzijde.
In het interieur zijn de balklagen met zware versierde moerbalken en paneeldeuren bewaard. Een moerbalk met gleuf van een vroeger schoorstuk wijst mogelijks op een vroegere vakwerkbouw. Een slaapkamer achter aan de uitbreiding van 1786 bezit een stucplafond met omlopende hollijst en stucprofielen, een schouwboezem met lijstwerk en guirlande in Lodewijk XVI-stijl. Er is ook een opkamer met een zware moerbalk met een kunstig versierd uiteinde.
De hoeve is als monument beschermd sedert 13 september 1996.
De boerenwoning telt zes traveeën en één bouwlaag onder een hoog zadeldak van Vlaamse pannen. De erfgevel is wit geschilderd en rust op een grijs geschilderde plint, afgelijnd door een geprofileerde bepleisterde daklijst. De familie Blondeel heeft ook de grond geschonken waarop nu de “nieuwe” Sint-Annakapel staat, ten noordwesten van de woning.
Honderd jaar geleden was de boerderij met de stallen, de dieren en de hooizolder, de ‘schelf’, een echte trekpleister voor de jeugd. Ze lieten er hun fantasie de vrije loop, haalden kattenkwaad uit en beleefden er avonturen zoals je die kunt lezen in ‘De Witte van Zichem’ van Ernest Claes.

De hoeve is gelegen aan de dries van d’Hulst, op de oude weg naar Lede, waar oorspronkelijk wel meer agrarische bedrijven actief waren: de boerderijen Lammens, Pieters, Van Leuven, Keppens, Triest en Matthijs deden aan akkerbouw en veeteelt. In het zuidoosten van de dries bevindt zich nog een veedrenkpoel, de oorspronkelijke gemene weide is nu nog telkenjare eind juli het decor van een wijkkermis.

