Directeurswoning Verdonck

Het personeel van weverij Verdonck (na 1900) met links de fabriek en rechts de woning van de directeur

Deze villa ligt op de oorspronkelijke weg van het Land van Aalst naar het Land van Waas, kort voor de oude Scheldebrug naar Uitbergen.

Julius Verdonck, de eigenaar van de in 1897 opgerichte matrassenfabriek die later evolueerde tot mechanische weverij, heeft aan de overzijde van de Brugstraat, in 1911 een villa opgericht die bewoond werd door de toenmalige weverijdirecteur, Ward De Dijcker.

De kunstenaar Guy Leclercq en zijn echtgenote Thérèse Van Hiel, die in 1980 eigenaar werden van de villa, hebben deze directeurswoning grondig gerenoveerd met zoveel mogelijk respect voor het oorspronkelijke ontwerp. Achteraan kwam een imposant atelier en bij de veranda werd het terras met balustrade gesloopt.

De villa heeft een L-vorm met twee bouwlagen en een leien schilddak dat uit vier schuine vlakken bestaat en een brede oversteek heeft.

De stijl van het gebouw is eclectisch, een combinatie van verschillende historische stijlen of stromingen, wat ook bij de bouwwerken van architect Théophile Présiaux terug te vinden is (villa Dora aan de treinhalte – huis Govaert op de hoek van de Statiestraat en de Margote).

De villa is opgetrokken uit rode baksteen met daartussen banden van gele steen. De voorgevel is asymmetrisch opgebouwd met een brede inrijpoort en overspannen met een boogvormig venster. Per verdieping steekt een erker uit boven de drie vensters met helemaal bovenaan een puntgevel. Naast de vensters is er een smal gedeelte met boven de deur een korfboog. Rechts van de villa is de al vermelde veranda aangebouwd. Opmerkelijk is ook de mooie paneeldeur, een deur opgebouwd uit verschillende panelen en hier gecombineerd met glas.

De oude Scheldebrug

De Scheldeovergang van Wichelen naar Uitbergen was en is nog steeds een cruciaal verbindingsstuk op de weg van het Land van Aalst naar het Land van Waas. De bestaande veerpont werd in de loop van de 19de eeuw totaal onvoldoende geacht en door betrokken gemeenten werden onverdroten plannen gemaakt voor het optrekken van een brug en de financiering ervan.

Pas in 1881 kwam, na moeizame graafwerken en jarenlange verkoop van aandelen om de kosten te financieren, een draaibrug over de Schelde tot stand. Het wegdek van deze brug kon gedeeltelijk dwars gedraaid worden wat de drukke scheepvaart verder mogelijk maakte.

De gebruikers van de brug moesten evenwel tol betalen, wat principieel gold om de in het brughuis wonende bruggendraaier en de aandeelhouders te vergoeden.

Het in 1882 door de gemeente Uitbergen gebouwde en nog steeds bestaande brughuis aan de overkant van de stroom is een project van de in Wichelen geboren architect Théophile Présiaux die ook verantwoordelijk is voor Villa Dora en Huize Govaert te Wichelen.

Hoewel er voordien al een systeem van subsidie was ingevoerd, werd de brug in 1900 uiteindelijk volle staatseigendom.

De brug werd tijdens de Eerste Wereldoorlog licht beschadigd en tijdens de Tweede Wereldoorlog tot tweemaal toe opgeblazen. In 1940 lagen er meerdere dagen Belgische genietroepen gelegerd bij de brug. Pas toen de Duitsers naderbij kwamen, werd de brug vernield om de vijand tegen te houden.

Het herstel van die eerste brug was niet meer mogelijk. Tussen 1940 en 1942 werd onder Duits bestuur een nieuwe brug gebouwd volgens plannen van de Duitse genie. Het werd een soort ophaalbrug waarbij twee brugdraaiers, één aan elke kant, de brug gelijkmatig moesten opdraaien. Naar het schijnt was het werk, door de plaatsing van de vele tegengewichten, heel wat eenvoudiger dan het vroegere systeem. In 1944 werd de brug door de zich terugtrekkende Duitsers deels gedynamiteerd. Met gebruik van allerlei hulpmiddelen konden de voetgangers toch nog door en als het hard vroor kon men te voet over de Schelde! In volgende jaren werd de brug in de mate van het mogelijke hersteld.

Het bestaande euvel verdween echter niet: de twee korte Scheldebochten en de eruit volgende mogelijke gevaarlijke stromingen zorgden ervoor dat binnenschippers door aanvaring van het staketsel voor averij bleven zorgen. Herstellingen en aanpassingen bleken niet afdoende.

Na moeizame onteigeningen en ingewikkelde procedures en onderhandelingen over de toegangswegen kregen Wichelen en Uitbergen een eindje verderop uiteindelijk in 1963 een nieuwe brug.

Brouwerij Lalemant

De voorgevel van de voormalige dorpsbrouwerij Lalemant is bewaard. Daartegenover lag vroeger een lusttuin met prieeltje en torentje, die later in functie van de brouwerij werd omgevormd tot losplaats en aanlegkaai. Brouwer Frans-Jan Lalemant was tussen 1836 en 1873 achtereenvolgens gemeenteraadslid, schepen en burgemeester. Aan het eind van WO I werden de brouwactiviteiten stopgezet na de opeising van het koper van de brouwinstallatie door de Duitse bezetter.

In het begin van de jaren ’30 kochten graanhandelaar Jozef De Craene en zijn echtgenote Maria Julia Steenhaut het pand voor de ontwikkeling van zijn activiteiten. Hij was de grootvader langs moederszijde van o.a. Jacques Van Keymeulen, professor-emeritus dialectologie aan de UGent, die hier zijn jeugd doorbracht.

Ter gelegenheid van Open Monumentendag 1999 hebben de toenmalige bewoners Anna De Craene, Evarist Van Keymeulen en zijn echtgenote Maria De Craene honderden bezoekers rondgeleid in de woning die volgens hen gebouwd is in Louis-Philippestijl, deels op restanten uit de 16e eeuw en deels op reusachtige bierkelders uit de 17e eeuw.

Op deze plaats of ongeveer op deze plek stond begin 17e eeuw de brouwerij Vogelare, toebehorend aan Jan De Knijf en Joanna Van Dijcke. Ze werd in 1647 verkocht aan een koopman uit Dendermonde.

In 2006 werd het hele complex verbouwd tot een meergezinswoning, maar de voorgevel is in zijn originele staat bewaard.

Volgens archiefdocumenten werd in 1886 het meer dan honderdjarig bestaan van de brouwerij Lalemant gevierd (zie foto onder). Een intussen verdwenen wapensteen met jaartal 1597, afkomstig uit een keldergewelf van de brouwerij, kan mogelijks van de site zelf voorkomen.

Brouwer Judocus-Jozef Lalemant (1773-1861) was de vader van de al vermelde politicus Frans-Jan, wiens broer Leo tot 1892 de exploitatie voortzette. Door huwelijk werd de brouwerij later D’Hooghe en D’Hooghe-Lalemant genoemd. De begane grond van het voormalig brouwershuis verheft zich boven het straatniveau en wordt voorafgegaan door een gevelbreed bordes met trap tegenover de voordeur. Het heeft een langgerekte rechthoekige vorm van zeven traveeën onder een zadeldak met een typisch midden-19de-eeuws voorkomen. Het enige opvallende gevelornament is de hardstenen deuromlijsting. In het kroonlijstje bemerken we twee keer twee gekruiste moutstokken, traditionele brouwersattributen die de enige verwijzing vormen naar de vroegere activiteiten op dit terrein.