Muurschildering keizerin Theophanu

UUIGLE CUM ABBATIA NIVELLE
Wichelen met abdij Nijvel

Op 14 april 972 trouwde in de Sint-Pietersbasiliek in Rome de 12-jarige Byzantijnse prinses Theophanu met de 17-jarige Duitse keizer Otto II. Bij die gelegenheid kreeg ze een met goud en purper versierde huwelijksoorkonde die uitzonderlijk goed is bewaard gebleven. Ze behoort tot de meest schitterende documenten van de middeleeuwse geschiedenis. De oorkonde is van een uitstekende kwaliteit die doet denken aan oosterse zijden stoffen. De grootte is ook merkwaardig: 144,5 cm lang en 39,5 m breed. De tekst is met gouden letters op purpergekleurd perkament aangebracht. De achtergrond bestaat uit 12 medaillons met daarin afbeeldingen van vechtende dieren, symbolen van de macht van de keizer.

oorkonde met omschrijving bruiddschat

In die prachtige oorkonde wordt Theophanu’s bijzonder rijke bruidsschat omschreven met o.a. prestigieuze domeinen en centra in Italië, Duitsland, Nederland en België. Voor België luidt de tekst als volgt:

Over de Alpen (krijgt Theophanu) de gebieden Walcheren, Wichelen met de abdij van Nijvel, met de daarbij behorende veertienduizend boerderijen..”

De abdij gelegen in Nijvel/Nivelles behoorde tot de beroemdste kloosters in de vroege middeleeuwen. Ze werd in de 7de eeuw gesticht door de heilige Amandus en de heilige Gertrudis. De abdij kwam in de 10de eeuw rechtstreeks onder het gezag van de Duitse keizers. En op die manier kon de Byzantijnse prinses Theophanu bij haar huwelijk dit klooster krijgen als bruidsschat.

Het valt overigens op hoe de kerk van Wichelen en de abdij van Nijvel dezelfde patroonheilige hebben, Gertrudis.

Keizerlijke abdij Nivelles. Theophanu was er lekenabdis van 972 tot 991.

HAGIA SOPHIA

Theophanu, de prinses uit het Oosten, frequenteerde de Hagia Sophia

Theophanu’s roots lagen in een uithoek van het Byzantijnse rijk, Armenië. Daar werd ze in 960 geboren. Dat ze Armeense was, vormde sociaal gezien geen probleem. Integendeel. In het Byzantijnse Rijk, dat een veelvolkerenstaat was, genoot de Armeense aristocratie zeer hoog aanzien. En zeker haar ouders die tot een fanatieke soldaten-dynastie behoorden. De clan speelde in de oorlogsvoering van de Byzantijnse keizer trouwens een belangrijke rol.

Belangrijk feit: Theophanu was de aangetrouwde nicht van de Armeense veldheer, Johannes Tzimiskes. In 969 werd die in obscure omstandigheden (moord) keizer van het Byzantijnse Rijk. Vermoedelijk werd haar leefomgeving vanaf dan de hoofdstad Constantinopel, het Parijs van de vroege middeleeuwen. In het keizerlijk paleis van haar oom kreeg ze een hoogstaande opvoeding zoals men die in het Westen niet kende. Vlak bij het paleis bevond zich het grootste gebouw van Constantinopel, de Hagia Sophia. De kerk werd op ongelofelijk korte tijd gebouwd, tussen 532 en 537. Bouwheer was keizer Justinianus (527-565). Het was een unieke architecturale realisatie: binnen een rechthoekige plattegrond (76 meter lang en 71 meter breed) bevindt zich een vierkanten constructie met een enorme koepel van 33 meter doorsnede. Nog nooit had men zoiets spectaculairs gezien.

Omdat ze gelegen was vlak bij het keizerlijk paleis, kende Theophanu deze kerk zeer goed. Het is de reden waarom kunstenaar Gunther ‘Cazn’ Baeyens de Hagia Sophia afbeeldde op de muurschildering. De impressionante kerk symboliseert het Oosten waar Theophanu haar kinderjaren als prinses beleefde.

SINT-PANTALEONSKERK KEULEN

De Sint-Pantaleonskerk in Keulen is een indrukwekkend bouwwerk waaraan Theophanu een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het was de broer van haar schoonvader, aartsbisschop Bruno, die in 955 in Keulen op de plaats van een vroegere Romeinse villa een benedictijnenabdij stichtte, toegewijd aan Sint-Pantaleon. Deze heilige, afkomstig uit het Oosten, was zeer geliefd bij Theophanu. Zij zou zelfs relieken van hem hebben meegebracht uit Constantinopel.

Zelf gaf ze de opdracht om de kerk van aartsbisschop Bruno uit te breiden met een imponerend westwerk dat de tijd heeft overleefd en vandaag nog steeds te zien is.

Sint-Pantaleonskerk in Keulen

Theophanu stierf op 15 juni 991 in Nijmegen. Op haar wens werd zij begraven in haar geliefde Sint-Pantaleonskerk in Keulen.

Elk jaar werden er op de datum van 15 juni herdenkingsmissen ter ere van de keizerin gevierd. Tot in 1803 Napoleon de benedictijnenabdij afschafte. Duizend jaar na haar dood grepen er in Keulen grote herdenkingen van Theophanu plaats met o.a. tentoonstellingen, publicaties en wetenschappelijke congressen. In het kader daarvan besliste men om de herdenkingsmissen in de Sint-Pantaleonskerk elk jaar op 15 juni opnieuw te organiseren.

sarcofaag in wit Naxos-marmer

Een sarcofaag in wit Naxos-marmer gerealiseerd door Sepp Hürten werd in 1962 in het westwerk van de Sint-Pantaleonskerk geplaatst. In een loden kistje worden de weinige stoffelijke resten van de keizerin bewaard. Jaarlijks heeft hier op 15 juni, de sterfdag van Theophanu, een eucharistieviering plaats. Het is een gebeurtenis die in het teken staat van de hereniging van de christelijke kerken uit Oost en West.

Sint-Pantaleonskerk door Cazn

Op zijn muurschildering aan de pastorie geeft Gunther ‘Cazn’ Baeyens een eigen visie op de Sint-Pantaleonskerk weer. Een mooi symbool van Theophanu’s ‘blijvende aanwezigheid’ in het Westen.

NATUURGEBIED BERGENMEERSEN

Bergenmeersen

De Bergenmeersen liggen in een bocht van de Schelde bij de wijk Paddenhoek in Wichelen. In de vroegere eeuwen was het een landbouwgebied met vooral hooiland, sinds het einde van de twintigste eeuw lag er een ringdijk rond en was het ook een overstromingsgebied van de Schelde.

In 2013 werd het nieuwe natuurgebied Bergenmeersen geopend nadat er grote werken uitgevoerd waren in het kader van het Sigmaplan. Die hadden als doel overstromingen te voorkomen, maar ook de natuur nieuwe kansen te geven. Om dat te bereiken werd er een heel bijzondere sluis gebouwd langs waar het water van de Schelde bij hoogtij de Bergenmeersen binnen stroomt en bij laagtij de Bergenmeersen weer verlaat.

Zo werden de Bergenmeersen een zoetwatergetijdengebied van ongeveer 40 ha. Er ontstonden slikken en schorren die watervogels aantrokken en er kwam vis binnen langs de sluis. In de laaggelegen gedeelten ontstaan er rietvelden, op de hogere stukken komt er wilgenvloedbos. Die trekken hun eigen vogelpopulaties aan.

De bermen langs de de dijken worden selectief gemaaid om planten en bloemen een kans te geven en zo ook vlinders en andere insecten aan te trekken.

Op de muurschildering staan enkele typische planten en dieren uit de Bergenmeersen.

Grote kattenstaart: groeit op natte ruige gronden en bloeit in de zomer paars
Blauwborst: kleine trekvogel die in het voorjaar aankomt; alleen de mannetjes hebben een blauwe borst
Bever: zoogdier dat grotendeels in het water leeft en sinds enkele jaren terug is langs de Schelde
Cetti’s zanger: zangvogel die vooral opvalt door zijn korte, metaalachtige zang
Grote gele kwikstaart: zangvogel met een golvende vlucht die voortdurend zijn staart wipt, heeft een citroenkleurig onderlichaam
Grote zilverreiger: witte reiger, tot ongeveer 1 meter groot, broedt samen met andere watervogels in bomen
Dagpauwoog: veel voorkomende bontgekleurde vlinder die brandnetel als waardplant heeft
Klaproos: rode bloem uit de papaverfamilie, groeit op omgewoelde grond en levert uitstekend stuifmeel voor bijen

Wichels en Serskamps erfgoed : Paddenhoek

Van de eertijds zo bedrijvige wijk Paddenhoek, waar de Wichelse weefindustrie haar wortels had, is niets bewaard gebleven. Hier bevond zich het centrum van onze gemeente met kerk en economische bedrijvigheid. Het verdwijnen van de kerk en vooral het doortrekken, evenwijdig met de Schelde en de spoorweg, van de verkeersader Wetteren –Dendermonde, heeft het dorpscentrum naar Bohemen en de Margote gebracht.

De Paddenhoek werd zo de uiterste hoek van het dorp, die echter tientallen keren door overstromingen werd geteisterd. En evenveel keren hadden de bewoners van een twintigtal huisjes zichzelf en hun inboedel in veiligheid moeten brengen. Meer en meer hielden de mensen het daardoor voor bekeken en zochten ze een veiliger woonst.

Overstroming 1953

Toen kwam in 1953 de rampzalige Sint-Ignatiusvloed met de grote watersnood in Nederland en opnieuw twee dijkbreuken in Wichelen waarbij een groot deel van de Paddenhoek blank kwam te staan. Er circuleerden veel geruchten over versteviging van de dijken, maar de bewoners van de Paddenhoek waren er niet gerust in en begonnen het gevoel te krijgen dat hun wijk aan het water werd geofferd.

Op het eind van de jaren ’50 is de leegloop van de wijk begonnen. In 1962 was zowat een derde van de huizen al onbewoond. En dat jaar was er opnieuw wateroverlast, drie jaar later nog maar eens. De overblijvers werden radeloos, temeer omdat stilaan een aanvang werd genomen met het slopen van vervallen weggezakte woningen. Uiteindelijk zijn alle bewoners van de laaggelegen woningen naar een veiliger woonst vertrokken en bleven enkel de drie hoogstgelegen huisjes overeind en bewoond. Deze inmiddels bouwvallige huizenrij is, na onteigening, eind de jaren ’90 afgebroken.

Onteigeningsprocedures werden opgestart en er werd overgegaan tot het aanleggen van een gecontroleerd overstromingsgebied, de Wichelse Bergenmeersen.

De Bergenmeersen overstroomd na springtij op 31 december 2013

Sint-Gertrudiskerk

De neogotische Sint-Gertrudiskerk is ruim 40 meter hoog en gebouwd tussen augustus 1870 en augustus 1872. Ze verving na jarenlang getouwtrek de oude kerk op het Oud Dorp, die vervallen was, in een uithoek van de parochie stond en na de rechttrekking van de steenweg Wetteren-Dendermonde nog meer in een verdomhoek was geduwd. In het kerkgebouw zelf staat nog heel wat 18de-eeuws meubilair uit de oude kerk. De huidige slanke toren werd pas in 1925 opgetrokken, nadat bij het begin van WO I de oorspronkelijke toren door de Duitsers was doorzeefd.

De kerktoren na de beschietingen van de Duitsers op 4 oktober 1914

De afbraak van de oude en de bouw van de nieuwe kerk verliep niet zonder slag of stoot, ook letterlijk. De bewoners van het Oud Dorp voelden aan dat het maatschappelijke en economische belang van hun wijk door de verhuizing stilaan zou wegebben en ze verzetten zich tegen een nieuwbouw hier op de Margote. Zo ontstond een jarenlange bitse strijd tussen enerzijds de kerkraad en de burgemeester die voor het Oud Dorp kozen en de gemeenteraad en de pastoor die de Margote genegen waren. Het echtpaar J.B. Eeckhaudt-De Keyser bood in maart 1866 een eigendom van ruim een halve hectare aan om een nieuwe kerk op de Margote te bouwen. De gemeenteraad nam kort daarop de gift aan en bereidde zonder tussenkomst van de kerkraad de bouw voor. Architect Serrure senior van Sint-Niklaas werd als ontwerper van de plans aangesteld en zorgde voor een raming van de bouwkosten. De provinciegouverneur liet echter weten dat de gemeenteraad zonder de instemming van de kerkraad geen nieuwe kerk kon bouwen. De bevoegde minister van justitie van zijn kant, was van oordeel dat het de gemeenteraad toegelaten was om een nieuwe kerk te bouwen bij omstandigheden als de bouwvalligheid van de oude kerk, de verwijdering van het centrum, ontoereikende grootte enz.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1866 verloor de toenmalige burgemeester Van Brabander de stembusslag en schepen Lalemant werd gedurende drie jaar dd. burgemeester, omdat de regering weigerde een nieuwe burgervader te benoemen.

Intussen hield de kerkraad voet bij stuk en in maart 1867 lieten zij de muren van de oude kerk, toren inbegrepen, bezetten en witten, iets waartegen eerst de gemeenteraad en later ook de provinciale bestendige deputatie protesteerde. Dat had als gevolg dat de kerkmeesters de kosten van het werk uit eigen zak moesten betalen. Na verschillende herverkiezingen in de kerkraad werd de zaak uiteindelijk in augustus 1870 beslecht in het voordeel van de Margote. Bij het overbrengen van het meubilair uit de oude kerk, werden de werklieden met stenen bekogeld, een uiting van een ontgoocheling die nog geruime tijd zou aanhouden. Vele inwoners van het Oud Dorp gingen jarenlang uit protest in Uitbergen naar de kerk.

Het meubilair uit de oude kerk werd verhuisd naar de nieuwe kerk op de Margote
Preekstoel uit de oude kerk vervaardigd in opdracht van pastoor Fransiscus Mollaert (rond 1725)

Woonzorgcentrum Molenkouter

Inhuldiging jongste nieuwbouw op 20 juni 2015

Dit Woon- en Zorgcentrum werd geopend in 1995 en uitgebreid tot 110 kamers in 2015. In 2000 werden 20 assistentiewoningen in gebruik genomen op dezelfde site. Deze woonmogelijkheden vervingen de faciliteiten voor senioren die eerder voordien waren voorzien in de kloosters van Schellebelle en Wichelen en in het rustoord Sint-Jozef hier op het Oud Dorp, waar nu sociale woningen zijn ondergebracht.

Een wet van 1796 voorzag enkel een Bureel van Weldadigheid te Wichelen, geleid door een Armenbestuur, in de volksmond ‘den armen’ genaamd, die via pachten, leningen en giften en het ter beschikking stellen van bescheiden huisjes de behoeftigen moest bijstaan.

In 1877 werd de verhuis van het klooster naar de Margote een feit en het oude klooster werd door de gemeente aangekocht en aangewend als gasthuis waar de vroegere residenten (bejaarden en weeskinderen) gehuisvest konden worden. Aan de oude gebouwen werd weinig veranderd: bejaarden en wezen verbleven in grote zalen en sliepen in chambrettes. In tijden van armoede staken ook geregeld besmettelijke ziekten de kop op zodat dit gasthuis, dat qua verzorging en onderhoud geleid werd door vijf kloosterzusters, ook dienstdeed als ziekenhuis.

Aanvankelijk een weeshuis en later rustoord voor senioren (Sint-Jozef rusthuis)

De oorlogsjaren ‘14-‘18 brachten niet alleen schrijnende toestanden mee, maar ook schade aan het gebouw, al konden de bewoners toen ook terecht in de gebouwen van de nabije textielfabriek Peeters. Ter uitvoering van de wet van 1925 werd ook in Wichelen een ”Commissie van Openbare Onderstand” (C.O.O.) opgericht.

Initiatieven tot herstelling en aanpassingen waren legio, al bracht de Tweede Wereldoorlog nieuwe zorgen. Intussen werd ook een landbouwbedrijf opgestart, waardoor het gasthuis beter in zijn behoeften kon voorzien. In de jaren ’50 en ’60 werden belangrijke renovatiewerkzaamheden aan het gasthuis doorgevoerd, dat voortaan de naam rusthuis Sint-Jozef zou dragen.

De fusie van de gemeenten in 1977 maakte een einde aan de voormelde COO en in het kielzog van de fusiebeweging werd overeenkomstig de wet van 1976 het “Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn” (O.C.M.W.) opgericht. De kloosterzusters werden hartelijk en uitvoerig bedankt voor hun edelmoedig werk van naastenliefde en vertrokken naar hun kloostergemeenschap. Momenteel kunnen in het woonzorghuis Molenkouter 110 residenten worden opgevangen. In de assistentiewoningen Schuttershof op dezelfde site zijn 20 kamers beschikbaar.

Inhuldiging WZC Molenkouter door toenmalig OCMW-voorzitter August De Maesschalck (23 maart 1995)