Hof te Boeygem

Deze boerderij is ten vroegste op het eind van de 17de eeuw gebouwd, maar is in zijn huidige vorm getekend op de Ferrariskaart van eind 18de eeuw. Het is een gesloten Brabantse vierkantshoeve, oorspronkelijk eigendom van de familie Dalschaert, die maar liefst vier Serskampse burgemeesters leverde.

De boerderij telt elf kamers. Indertijd waren de families inderdaad kroostrijk, maar er waren ook kamers voor de knechten en dienstmeisjes, wat bewijst dat de hoeve een belangrijk ijkpunt voor de gemeente was. Er is nog altijd een riante ‘beste kamer’, een ruime woonkamer en een keuken. Boven de open haard torent het opschrift ‘Labor vincit improbus’, ‘naarstige arbeid overwint alles’.

In de haard zelf hangt een gietijzeren plaat met het opschrift ‘Pro Patria’. Daaronder zit een klimmende leeuw met zeven pijlen en een zwaard, naast een Nederlandse maagd, samen in een Hollandse tuin. Dat geheel symboliseert de Republiek der 7 Verenigde Provinciën. Ook in het kasteel van Gaasbeek is een gelijkaardige haardplaat bewaard.

Aan de familie Dalschaert herinnert een grote gedenkplaat aan de achterkant van de kerk van Serskamp.

Boeygemkapel

Dit bedehuisje in neogotische stijl is gebouwd in opdracht van Fredericus Dalschaert, de landbouwer die er rechtover woonde in de tweede helft van de 19de eeuw. Door een epidemie werd zijn veestapel uitgedund, maar na een ingewilligde smeekbede liet hij deze H. Hart- en H. Antoniuskapel optrekken.

Deze wegkapel is gelegen op het T-kruispunt van de straat Boeygem met de veldweg naar Hulst, de Wichelse Dries, die over Boeygemkouter loopt. Het is een bakstenenkapel met een driezijdige sluiting onder een zadeldak, bedekt met kunstleien en twee zilverkleurige topkruisen.

De kapel is een typisch 19de-eeuwse uiting van volksdevotie, waar de bewoners bij het overlijden van een buur een rozenkrans kwamen bidden en tijdens de meimaand de kapel met bloemen versierden voor het rozenhoedje. Uiteraard speelden daarbij ook de sociale contacten een belangrijke rol, het was een gesproken dagblad voor het streeknieuws.

Woonzorgcentrum Molenkouter

Inhuldiging jongste nieuwbouw op 20 juni 2015

Dit Woon- en Zorgcentrum werd geopend in 1995 en uitgebreid tot 110 kamers in 2015. In 2000 werden 20 assistentiewoningen in gebruik genomen op dezelfde site. Deze woonmogelijkheden vervingen de faciliteiten voor senioren die eerder voordien waren voorzien in de kloosters van Schellebelle en Wichelen en in het rustoord Sint-Jozef hier op het Oud Dorp, waar nu sociale woningen zijn ondergebracht.

Een wet van 1796 voorzag enkel een Bureel van Weldadigheid te Wichelen, geleid door een Armenbestuur, in de volksmond ‘den armen’ genaamd, die via pachten, leningen en giften en het ter beschikking stellen van bescheiden huisjes de behoeftigen moest bijstaan.

In 1877 werd de verhuis van het klooster naar de Margote een feit en het oude klooster werd door de gemeente aangekocht en aangewend als gasthuis waar de vroegere residenten (bejaarden en weeskinderen) gehuisvest konden worden. Aan de oude gebouwen werd weinig veranderd: bejaarden en wezen verbleven in grote zalen en sliepen in chambrettes. In tijden van armoede staken ook geregeld besmettelijke ziekten de kop op zodat dit gasthuis, dat qua verzorging en onderhoud geleid werd door vijf kloosterzusters, ook dienstdeed als ziekenhuis.

Aanvankelijk een weeshuis en later rustoord voor senioren (Sint-Jozef rusthuis)

De oorlogsjaren ‘14-‘18 brachten niet alleen schrijnende toestanden mee, maar ook schade aan het gebouw, al konden de bewoners toen ook terecht in de gebouwen van de nabije textielfabriek Peeters. Ter uitvoering van de wet van 1925 werd ook in Wichelen een ”Commissie van Openbare Onderstand” (C.O.O.) opgericht.

Initiatieven tot herstelling en aanpassingen waren legio, al bracht de Tweede Wereldoorlog nieuwe zorgen. Intussen werd ook een landbouwbedrijf opgestart, waardoor het gasthuis beter in zijn behoeften kon voorzien. In de jaren ’50 en ’60 werden belangrijke renovatiewerkzaamheden aan het gasthuis doorgevoerd, dat voortaan de naam rusthuis Sint-Jozef zou dragen.

De fusie van de gemeenten in 1977 maakte een einde aan de voormelde COO en in het kielzog van de fusiebeweging werd overeenkomstig de wet van 1976 het “Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn” (O.C.M.W.) opgericht. De kloosterzusters werden hartelijk en uitvoerig bedankt voor hun edelmoedig werk van naastenliefde en vertrokken naar hun kloostergemeenschap. Momenteel kunnen in het woonzorghuis Molenkouter 110 residenten worden opgevangen. In de assistentiewoningen Schuttershof op dezelfde site zijn 20 kamers beschikbaar.

Inhuldiging WZC Molenkouter door toenmalig OCMW-voorzitter August De Maesschalck (23 maart 1995)

Woning Van Cromphaut

Op vraag van het echtpaar De Geest-Lowie heeft een architect uit Kortrijk, Cyrille Van Houtte, dit herenhuis in 1885 ontworpen. Het behoort stilistisch tot de eclectische Vlaamse renaissance.

Toen de twee ongehuwde kinderen van het echtpaar De Geest-Lowie – van wie zoon Desiré lange tijd schepen was – de laatste jaren van hun leven in het klooster doorbrachten, hebben zij in 1937 het gebouw laten verkopen.

De broers Van Hauwermeiren, landbouwers op de Rimeir, werden de nieuwe eigenaars. De gehuwde broer betrok het pand met zijn gezin. Kort daarna reeds stierven de ouders en de ongehuwde broer-landbouwer, tevens inspecteur van de oorlogsschade na de Eerste Wereldoorlog en schepen, nam toen de kinderen onder zijn hoede en ging ook in het huis wonen. Zijn dood bracht de ruime herenwoning in handen van de twee nazaten, René en Anna.

Zoon René, master in de rechten en het notariaat, ging de diplomatie in en was Belgisch consul en ambassadeur in Bern, Rome, New York en Caracas (Venezuela). Zus Anna huwde met tandarts Gilbert Van Cromphaut die in het huis een praktijk opstartte. Zoon Chris volgde zijn vader op als tandarts en bewoont nu, samen met zijn gezin, deze opmerkelijke woning.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren Duitse officieren ingekwartierd in de woning. De eigenaar, J. De Geest, metselde een deel van zijn kelder dicht zodat zijn mooie voorraad wijn niet ten prooi kon vallen van de bezetters. Op de ruime zolder vonden de huidige bewoners nog verhuiskoffers met een valse bodem om geld in te bewaren. En er was nog “groot geld” in verstopt ook.

Ruim twintig jaar later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen brandbommen op de Margote, onder meer één doorheen het dak van het herenhuis. De bom kwam niet tot ontbranding en de schade bleef daardoor beperkt. Ook aan de overkant van de Schelde, in de meersen, vielen ook bommen neer. Door de luchtverplaatsing sneuvelden veel vensters aan de voorgevel van het huis, waaronder de typisch originele rozetvensters. Die werden niet meer vervangen, maar dichtgemaakt.

Woning Dr. Savoir

Schilderij van de woning van Dokter/Burgemeester Leon Savoir (statige woning in het wit)

Dit vroegere herenhuis is na het Oud-Gemeentehuis het oudste en meest historische huis van onze gemeente. Na vernieuwing van de voorgevel heeft het wel zijn vroegere aanblik verloren.

In het jaar 1767 kreeg de schipper J.B. D’Hooghe toestemming om een huis te bouwen op de cijnsgrond van het “Hospitael en Wezenhuyzen van Aalst”. Zijn zoon Guillelmus werd na diens overlijden eigenaar van het voorname herenhuis.

In 1853 stierf Guillelmus D’Hooghe en nog hetzelfde jaar, bij een openbare verkoop, kwamen zijn vier kinderen gezamenlijk in het bezit van alle eigendom op de grond toebehorend aan het voormelde Hospitael van Aelst, die volgens kadastrale legger van het plan Popp respectievelijk bestond uit een boomgaard, een tuin, twee huizen, een huis met erf, een magazijn en nog een huis met erf en tuin. Het volledige eigendom, gelegen op een cijnspacht die in principe liep tot kerstdag 1866, strekte zich uit vanaf de muur van het kerkhof tot aan het oud gemeentehuis. Het bestaande grafmakershuisje zou trouwens nog een gedeelte zijn van laatstgenoemd huis (hoevetje) met erf.

Ook de familie D’Hooghe heeft een opmerkelijke rol gespeeld in het bestuurlijk leven met als leden onder andere een burgemeester en ontvanger van gemeente- en armenbestuur. De familie was ook actief in de Wichelse handel en nijverheid.

Maar op 6 oktober 1869 kwam er opnieuw en openbare verkoop waarbij de cijnspacht wettelijk werd opgeheven en de Gods- en Wezenhuyzen alle voormelde eigendom verkochten aan Eduard Meuris, geneesheer te Wichelen. De dokter verliet Wichelen en in juni van het jaar 1894 verkocht hij het belangrijkste gedeelte van het eigendom aan zijn opvolger Leon Savoir. Op dat ogenblik werd het beschreven als “een huis met remise, koer, stal en tuin, lust- en moeshof”. In 1895 zou hij het overige gedeelte verkocht hebben aan een nijveraar uit Gent. Dr. Leon Savoir werd een opmerkelijke Wichelse figuur, huisarts, amateur-archeoloog en burgemeester. Drie jaar na zijn overlijden besloot zijn echtgenote Julia Gabriëls in 1926 het huis te verkopen aan ene Van Goethem van Schaarbeek. Nauwelijks twee jaar later werd het eigendom doorverkocht aan de Wichelse familie Van Wesemael.

Villa Dora

Villa Dora met haar oorspronkelijke torentje

Het alleenstaande burgerhuis werd in 1913 gebouwd in opdracht van een gepensioneerde militair uit Brussel in een schaars bebouwde agrarische omgeving naast de spoorlijn Mechelen-Gent, vlak bij de Wichelse spoorweghalte en de steenweg naar Lede.

Het is een opvallende constructie door zijn excentriek voorkomen en kleurrijk materiaalgebruik, eigen aan de eclectische bouwstijl, een combinatie van verschillende historische stijlen en stromingen, en is van de hand van ontwerper Théophile Présiaux. Deze bouwkundige maakte ook de plannen voor huis Govaert op de hoek van de Statiestraat en de Margote en voor het brughuis aan de Schelde te Uitbergen. Ook in Lede ontwierp hij woningen, o.a. in de Stationsstraat.

Villa Dora, zoals de huisnaam geschilderd staat in de bovenvelden, is een dubbelhuis van twee bouwlagen met asymmetrische opbouw, ook in de dakpartij die T-vormig snijdende schilddaken omvat en een lessenaarsdak boven het lager volume tegen de achtergevel. Alle daken zijn bedekt met ruitvormig gelegde kunstleien.

Opmerkelijk is ook de uitspringende inkom met verdiepte voordeur, boven het schilddakje verhoogd met een deels ingebouwde achthoekige toren met leien spits die uitrijst boven de daknok, wat trouwens ook kenmerkend is binnen het oeuvre van Présiaux. Typisch is ook de vooruitspringende linker venstertravee met op de bovenverdieping een brede loggia met opengewerkte houten leuning onder overstekend dak rustend op vier elegante en decoratief uitgewerkte steunen.

De constructie is opgetrokken uit rode baksteen met verwerking van breukstenen in de sokkel, met hardstenen gevelelementen en de op karakteristieke wijze verwerkte geglazuurde bakstenen van verschillende kleuren en lichtgele stenen voor accentuering van de gevel- en torenhoeken, van de muuropeningen en horizontale banden en ruitmotieven. Let ook op de verschillende venstertypes met bewaard verzorgd origineel houtwerk met kleine roeden en gekleurd glas, op de sterk verdiepte dubbele deur, de deurlichten en het decoratief ijzeren traliewerk.  Een vroegere eigenaar, de kunstschilder Georges Teugels, heeft een gedeelte van de originele indeling van het interieur ingericht en gebruikt als galerij. Teugels (1937 – 2007) was een meester in het schilderen van landelijke en lokale onderwerpen, dit alles in het perspectief van een romantisch Vlaanderen. Het meest bekend zijn de markante portretten van dorpsfiguren, stillevens, neerhofdieren en geklasseerde boerderijen.

’t Glazen straatje

In oude vissersdorpjes langs de Schelde vind je wel vaker steegjes die de waterloop en het centrum met elkaar verbinden. Langs daar konden geloste goederen snel naar de grote weg worden gebracht om verder verdeeld te worden.

Het is een heel smal straatje dat het deel van de Margote, dat vroeger nog bekend stond als “Dorp”, met de Schelde verbindt en een onderdeel is van de Scheldehoek. Er gaat een verhaal dat wekelijks een schip aanlegde met hoofdzakelijk mosselen, maar ook vis aan boord. Een Wichels koppel, Mieken Ollekes en Lange Vien, laadde al het mogelijke over op een hondenkar, via het glazen straatje werd de koopwaar naar de straathoek gevoerd en daar als koopwaar aangeboden. 

Lange Vien en Mieken Ollekes vooraan op de foto

Rond 1910 werd de vermelding “glazen straatje” voor het eerst schriftelijk gebruikt. Op dat ogenblik stonden er zes vochtige huisjes die eigendom waren van de toenmalige lokale liefdadigheidsinstelling (wat we nu OCMW noemen) en bewoond waren door bijzondere volkse figuren die allen een bijnaam hadden. Dankt het straatje zijn naam aan deze bewoners of één van hen? Heeft de naam te maken met de voorzichtige behandeling van alle gedragen vracht en last? Of heeft de verlichting van de Moeder Maagd voor klaarheid gezorgd? Een verband met het gelijknamige straatje in Gent hebben wij niet kunnen vinden.

De meest aannemelijke verklaring is dat ook breekbaar glas en gleiswerk langs hier werden gelost.

Sint-Gertrudispastorie

De pastorijmuur rond 1920

De pastorie heeft dezelfde architect als de kerk: Edmond Serrure senior uit Sint-Niklaas. Ze werd gebouwd met gelden afkomstig uit de verkoop van de oude pastorie op het Oud Dorp, aangevuld met vrijwillige giften. Na nauwelijks één jaar constructietijd kon pastoor Theodoor Van Herzele er al zijn intrek nemen in juli 1872.

Pastoor Theodoor Van Herzele

Het gebouw is een mooi voorbeeld van een pastorie uit de tweede helft van de 19de eeuw met een symmetrische opbouw. Het hoofdgebouw is onderkelderd, heeft twee bouwlagen en vijf traveeën. De voor- en achtergevel werden in de eerste helft van de 20ste eeuw gecementeerd. Aan weerszijden staat een kleine zijaanbouw van één travee, zonder bovenverdieping, onder een weinig hellend half schilddak. Op een paneel op de voorgevel zijn de christelijke symbolen voor geloof (een kruis aan de linkerkant), hoop (een anker aan de rechterkant) en liefde (een hart centraal boven de deur) aangebracht.

Het interieur wordt gekenmerkt door een centrale gang met midden links een haaks aansluitende trapgang. De gang heeft vierkanten vloertegels van zwarte natuursteen en witte marmer in een ruitvormig dambordpatroon aangelegd. In de vergaderzaal staat een zwarte marmeren schoorsteenmantel in neoclassicistische stijl. Het plafond is er afgewerkt met breed geprofileerd lijstwerk. Op beide verdiepingen bleven de originele paneeldeuren bewaard evenals de authentieke dakkapconstructie. Deze pastorie is als monument beschermd sedert 18 maart 2008.

Tot het eind van de jaren ’60 stond voor de pastorie een vrij hoge bakstenen voortuinmuur, met verschillende bomen en planten erin. De achtertuin heeft aan de rechterkant en de achterkant nog de originele bakstenen tuinmuren bewaard. Van in die tuin kon de pastoor snel de sacristie rechts achteraan in de kerk bereiken.

Boven de dubbele achterdeur is een kruismotief uitgewerkt, dat naar de pastorale functie van het gebouw verwijst. De haardvloer in de vergaderzaal is belegd met witte en zwarte vierkanten tegels en de boorden rondom zijn in marmer uitgevoerd. Een vierdelige tussendeur met de voorliggende ontvangstkamer kan worden open geplooid.

De keldervloer is bekleed met vierkanten grijze, natuurstenen tegels. Er zijn naast een afzonderlijke provisiekelder twee wijnkelders met gemetselde rekken.

De houten bordestrap heeft een typisch geprofileerde trappaal en een fijne balusterleuning. De pastorie wordt nu gebruikt voor de vergaderingen van de kerkraad en plaatselijke socio-culturele verenigingen hebben er een archiefruimte.

Sint-Annakapel

Deze in 1983 heropgebouwde kapel was oorspronkelijk heel wat groter en stond op ’t Rotkouter op een kruispunt van wegen. Na het verval ervan schonken de eigenaars van de naastgelegen boerderij grond voor een nieuw bedehuisje, dat op initiatief van de landelijke verenigingen werd opgemetseld door Maurice De Mol.

Aan deze nieuwe kapel wordt nog elk jaar de laatste zondag van juli eucharistie gevierd.

De legende van de oorspronkelijke Sint-Annakapel verhaalt dat er al vroeg een bidhuisje op ’t Rotkouter stond met een miraculeus beeld erin. Op een nacht passeerden een paar dronkenlappen aan het kapelletje en ze gooiden de deur een eind in het veld. Het Sint-Annabeeldje wierpen ze 100 meter verder in de rootputten op het huidige buitengoed ‘De Wieë’, aan de toegang tot de wijk Hulst gelegen.

Toevallig kwam een boer daar de volgende ochtend zijn rattenkasteel uitlaten en hij zal het (houten) beeldje op het water zien drijven hebben en haastte zich om over dat mirakel te gaan vertellen. Onmiddellijk kwamen andere buren naar het mirakel kijken, maar het beeldje stond al op zijn vertrouwde plaats: een nieuw mirakel! Een Brusselse heer hoorde daarover en kwam er bidden voor zijn ziek kind en het kind genas. Uit dankbaarheid liet hij in 1889 een grote Sint-Annakapel op ’t Rotkouter bouwen. Van toen af werd er elk jaar op het feest van Sint-Anna – de laatste zondag van juli, dichtbij de feestdag van de H. Anna – een mis gelezen, een gewoonte die na het bouwen van de voetbrug over de spoorweg en de verwaarlozing van de voetweg die van daaruit naar de kapel liep, stilaan is weggedeemsterd met het bekende vervolg van het verval.

Oud-Gemeentehuis Wichelen

In 1682 werd dit gebouw in het eertijdse dorpscentrum opgetrokken in opdracht van Lanceloot Frans de Cordes, heer van Wichelen en Serskamp. Het deed toen dienst als schepenhuis en gildehuis voor de schuttersgilde Sint-Sebastiaan. Tot 1955 fungeerde het als gemeentehuis, momenteel is het exporuimte en vergaderlokaal.

Waar de gemeente in beeld komt, wordt vrijwel altijd een foto van het oud-gemeentehuis getoond. Het is de trots, de herkenning van Wichelen.

De in 1967 aangekondigde restauratiewerken werden van 1970 tot 1973 toch uitgevoerd, waarna de gemeente het links aanpalend grafmakershuisje aankocht, dat momenteel als lokaal fungeert van de Heemkring.

Het oud-gemeentehuis heeft een horizontaal symmetrische gevel en een met zand bezette en een door een fijne 19de eeuwse leuning bekroonde pui met dubbele bordestrap.

De zijtraveeën hebben rechthoekige met zandstenen afgezette kruisvensters met erboven het opschrift anno 1682.Op dezelfde hoogte werd een zandstenen basreliëf ingewerkt dat de marteling van Sint-Sebastiaan voorstelt. Zandsteenbanden lopen over de volledige gevel.

De middentravee stijgt uit in de vorm van een grote rechthoekige dakkapel. De bovenbouw van die kapel heeft een grote sokkel die door klauwstukken geflankeerd wordt en bekroond wordt door een segmentboogfronton waarop een gestileerde pijnappel prijkt. Onder de trap bevindt zich ‘den bak’, een gevangenis waar dronken lieden wel eens hun roes konden uitslapen. Voor het oud-gemeentehuis stond in de 19de eeuw ook een schandpaal, zoals dat nu bvb. nog in Berlare het geval is.

Zo zag het gebouw eruit begin 20e eeuw