Motte Bergenmeersen

De Motte Bergenmeersen is een bevestiging van wat historische bronnen al suggereerden : hier stond ooit een omwald kasteel op een kunstmatig aangelegde heuvel.

Eeuwenlange overstromingen leidden tot de ondergang van de wijk Paddenhoek, achter de huidige begraafplaats gelegen. In 2005 keurde de Vlaamse regering het aangepast Sigmaplan goed waarin onder meer een gecontroleerd overstromingsgebied voor de Wichelse Bergenmeersen opgenomen was. In het kader van die werkzaamheden werden op dit perceel een archeologisch vooronderzoek en opgraving uitgevoerd. Terwijl historische bronnen al vroeg gewag maakten van een middeleeuwse motte op dit perceel, bleek die theorie onmiddellijk bevestiging te vinden met het aantreffen van een circulaire gracht bij een opgraving in 2012.

De cirkelvormige structuur bleek een ongeveer 12 meter brede en ongeveer 2 meter diepe gracht te zijn, die een “eiland” met een diameter van circa 40 meter omringt. De voor een motte karakteristieke centrale ophoging was echter afgegraven waardoor geen structuren van het oude bouwwerk bewaard bleven. Enkele natuurstenen en baksteenfragmenten die gestort waren aan de binnenkant van de gracht duidden op de aanwezigheid van een stenen constructie. Ander afval in de gracht, hoofdzakelijk grijs aardewerk en een groot aantal teilvormen naast kannen, kruiken en potten, laten toe de site te situeren in de dertiende-veertiende eeuw.

Aangetroffen baksteenfragmenten

Deze laatmiddeleeuwse site vormt met de locatie van de vroegere kerk (op het huidig kerkhof, net buiten de Bergenmeersen) ongetwijfeld één van de kernelementen van het middeleeuwse Wichelen. De oprichting van dat soort kasteelsites (cirkelvormig met een oppervlakte van ongeveer 1500m²) is overigens typerend voor de dertiende-veertiende eeuw.

In het oosten van de mottegracht werd een brugconstructie aangetroffen bestaande uit houten en bakstenen pijlers. De eikenhouten balken waren niet te dateren, aardewerk en enkele faiencetegels uit de vulling van de gracht verwijzen naar de 18de, begin 19de eeuw.

Het pollenonderzoek van de opvulling van de gracht duidt op een zeer open landschap met zowel weiland als akkerland. Er bleken ook enkele verkoolde resten van granen aanwezig, die geteeld zouden zijn op de hogere drogere zandgronden, en tekenen van fruitsoorten.

Een hoog aantal stengel-en kapselfragmenten van vlas doet vermoeden dat in deze late middeleeuwen ook vlas werd geroot in de grachten.

De studie van het dierlijk botmateriaal toont een overzicht van hoevedieren en een weinig wild. Buiten de perimeter van de gracht werden verschillende andere sporen opgegraven, uiteraard middeleeuws maar ook sommige te situeren in de Romeinse en Karolingische periode.

Archeoloog Erwin Meylemans tijdens zijn opgravingen in de Bergenmeersen

Memoriekruis Sebastiaen Van Havermaet

Dit blauw hardstenen kruis dateert uit de 18de eeuw en staat waar toendertijd de veerboot aanlegde die het (Oud) Dorp van Wichelen met de (Wichelse) meersen aan deze kant van de Schelde én met Berlare verbond. De overledene was burgemeester van Berlare en overleed onverwachts tijdens de overtocht.

Het memoriekruis is als monument beschermd sedert 11 januari 2012.

De overzetplaats sloot in Wichelen aan op het tracé van de heerweg van Gent naar Dendermonde. Die weg liep toen immers vanaf het huidige ‘Brugsken’ via de Meerbos (voorbij het Galgenveld) over de huidige Scheldebrug- en Dreefstraat naar het oud-gemeentehuis (met schandpaal ervoor) en de kerk (die op het kerkhof stond). Dat was het dorpscentrum van Wichelen tot ongeveer 1873. Daar maakte de heerweg een haakse bocht naar rechts, liep naast de Schelde aan het ‘Veken’ (en het huidige Sociaal Huis) naar de Margotekapel, van waaruit het bestaande traject naar Dendermonde verder werd gevolgd.

Op de linkeroever van de Schelde sloot de veerdienst aan op de voetweg naar Uitbergen, op de weg naar de loskaai van ’t Sluis en verder naar de dorpskern van Berlare.

Margotekapel

Al in de 17de eeuw stond op de hoek van de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ steenweg naar Wetteren een kapel. De huidige kapel is gebouwd in 1844-45. Onze Lieve Vrouw wordt hier aangeroepen als ‘wonderbare moeder’. Volgens de legende werd een houten Mariabeeld uit de Schelde opgevist en langs het tegenoverliggende ‘glazen straatje’ naar deze plaats gebracht.

De huidige kapel valt op door een licht uitspringend portaal met gekoppelde Toscaanse pilasters van witte kalksteen op een hoge omlopende plint. Daarboven prijkt een driehoekig fronton met een halfcirkelvormig venster met glas-in-lood. Boven het zadeldak staat een vierkanten houten klokkentorentje onder een tentdakje. Het interieur is gepleisterd en wit geschilderd en beschikt over een houten tongewelf.

Na de Eerste Wereldoorlog, op 29 november 1919, werd voor de kapel een vrijheidsboom geplant, een plataan als symbool van de herwonnen vrijheid. In december 1963 kwam die op ongelukkige wijze aan zijn einde. Enkele jaren geleden is een linde aangeplant.

De bakstenen Margotekapel onder laaghellend zadeldak is al eeuwen een vertrouwd gezicht op deze plaats. Na de Eerste Wereldoorlog werd er zoals in vele dorpen een vrijheidsboom geplant na jaren van ontbering. Schoolkinderen haalden toen, eind november 1919, de boom af aan het gemeentehuis en brachten hem met het gemeentebestuur, het liefdadigheidsbestuur en andere notabelen, stoetsgewijs door de bevlagde straat naar zijn bestemming.

De boom groeide en bloeide doorheen de jaren zo fel, dat de buurtbewoners begonnen te klagen over de vallende bladeren. In december 1963 waren ze het beu en ze bezorgden een petitie tot het omhakken ervan aan de gemeente. De gemeenteraadsleden vonden die oplossing echter te drastisch en beslisten om de boom “zeer degelijk te (laten) snoeien”, zonder hem weg te laten kwijnen. Kort daarop echter arriveerde de bevoegde schepen met zijn ploeg en onder druk van de buren werd de boom toch tot tegen de grond afgezaagd…

Likeurstokerij Rubbens

De bouw van de Produrac in 1924

Sedert 2013 is hier een distillerie voor geestrijke dranken actief, die voordien een lange geschiedenis heeft gekend in Zele. Maar de geschiedenis begint bijna 100 jaar eerder, in 1924, met de oprichting van staaldraadtrekkerij N.V. Produrac, die in zijn glorietijd meer dan 200 lokale families een inkomen verschafte.

In 1924 begonnen hier de graafwerken voor een bedrijf dat op zijn hoogtepunt meer dan 200 voornamelijk lokale werknemers zou tellen: de NV Produrac had zijn maatschappelijke zetel in Gentbrugge, de Puntfabriek. De nieuwe fabriek was ideaal gelegen aan de provinciebaan, de Schelde en de spoorweg Gent-Dendermonde-Mechelen. De belangrijkste aandeelhouders waren de NV Arbed (Luxemburg) en het latere Cockerill (Luik). Zij leverden hier het walsdraad om er harde staaldraad van te maken. Vanuit de fabriek werd een treinspoor aangelegd over de steenweg, dat achter de huizen voortliep naar Schoonaarde-station. Aan de Schelde was een loskade.

Aanvankelijk werden kabels geproduceerd voor de mijn- en scheepsbouw, afsluitingen voor weiden, telefoon- en signalisatiedraad, bovenleidingen voor trams en trolleybussen en allerhande veren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vooral jonge werknemers zoveel mogelijk aan het werk gehouden om te verhinderen dat ze verplicht tewerkgesteld zouden worden in het buitenland. Na de oorlog werd staaldraad geproduceerd voor spanbeton in bruggen en wegen. Op 17 juli 1981, aan het begin van de crisisjaren, sloot de NV Produrac definitief de deuren.

In de jaren ’40 kwam het tot een fusie tussen de brandweerdienst van de staaldraadtrekkerij en de gemeentelijke brandweer, die nu haar kazerne heeft aan de gemeenteschool op de Margote.

In 1984 werden de gebouwen in gebruik genomen door de Vatenrecyclagehandel Cesar Moens van Grembergen. Vijftien jaar later waren er 90 werknemers, maar door de economische crisis moest in de zomer van 2009 de productie stopgezet worden. Kort nadien streek de Likeurstokerij Rubbens op de site neer.

Kruisbeeld Serafien De Keyser

Serafien De Keyser (1794-1813) was een Wichelse seminarist die onder het Franse bewind in de Duitse stad Wesel, aan de samenvloeiing van de Rijn en de Lippe, in erbarmelijke omstandigheden is omgekomen. De seminaristen hadden geweigerd zich te onderwerpen aan de door Napoleon aangestelde bisschop van Gent en werden als soldaat naar het front van de Napoleontische oorlogen in Duitsland gestuurd. Hier stond oorspronkelijk de boerderij van Serafiens ouders, het Christusbeeld is het werk van plaatselijk kunstenaar Herman Van Keymeulen, het geheel is een ontwerp van Jozef Heynderickx, voormalig bestuurslid van de Heemkring.

Oorspronkelijk kruisbeeld gemaakt door Valery Stuyver

De oorspronkelijke beeldhouwer van de lijdende Christus is Valery Stuyver, onderpastoor op onze parochie tussen 1942 en 1946. Onder het pseudoniem Albert Van Mijlbeke schreef hij in het oorlogsjaar 1944 ‘De Trouw van de Serre’, het levensverhaal van Serafien, met een moraliserende inslag.

Het kruis stond hier aanvankelijk voor de boerderij (zie foto onder) van Serafiens ouders, maar in de jaren 1970 zijn de hoeve en de achterliggende gronden verkaveld tot het huidige Keizershof.

In 1981 werd bij de voltooiing van de wijk met de oorspronkelijke hoevesteen een muurtje gemetseld door Albert D’haese.

De Gentse seminaristen dienden in augustus 1813 na aanhoudend protest ofwel schriftelijk hun akkoord te betuigen met de benoeming van de nieuwe bisschop de la Brue de Saint Bauzille, ofwel het seminarie waar zij hun opleiding tot priester volgden, onmiddellijk te verlaten en soldaat te worden.

Onder het motto ‘niet morgen, maar vandaag vertrekken wij, liever soldaat dan schismatiek’ maakten zij hun keuze duidelijk. Zij werden opgesloten in het voormalige Gentse Capucijnenklooster, dat als gevangenis voor dienstweigeraars fungeerde. Op 19 augustus 1813 vertrokken zij dan met 57 seminaristen uit het Departement van de Schelde te voet naar Wesel. De bedoeling was dat zij van daaruit naar Maagdenburg zouden worden gebracht om bij het Franse leger ingelijfd te worden, maar zij zouden er nooit aankomen.

Drie Wichelse jongens maakten deel uit van de tocht: naast Serafien De Keyser ook nog Vincent Dalschaert en Jozef Lauwaert. Eén week later vertrok ook dorpsgenoot Pieter Baeyens met een andere groep. Na een dagenlange mars via Aalst, Brussel, Leuven, Sint-Truiden, Tongeren, Maastricht, Roermond en Venlo kwamen zij op 30 augustus aan in Wesel. Via een ondergrondse toegang werden ze naar de binnenkoer van de citadel gebracht. Zoals dienstweigeraars kregen zij maar een half rantsoen te eten. Er was nauwelijks beddengoed en de luizen, muizen en ratten hadden er vrij spel in de vochtige kazematten, een ideale broeihaard voor ziekten. Diefstallen tussen de soldaten waren er bovendien schering en inslag.

Op 25 oktober 1813 besliste keizer Napoleon om Wesel voor 10 000 manschappen te bewapenen. Er werd daarom voor drie maanden voedsel ingeslagen. Vincent Dalschaert werd ingeschakeld in de administratie, hij was bij de gelukkigen. Onder de soldaten brak weldra de ‘rodeloop’ uit, een ontsteking van het slijmvlies van de dikke darm, die zich manifesteert door buikkrampen, koorts, slijmerige stoelgang met bloed vermengd en die uitermate besmettelijk is.

Voor de vermoeide Serafien De Keyser betekende dat de genadeslag. Hij overleed er op Allerheiligen, 1 november 1813. Zo werd hij een symbool van onvoorwaardelijke trouw aan de Kerk. Op respectievelijk 10 en 16 januari 1814 wisten Pieter Baeyens en Jozef Lauwaert uit de hel te vluchten. Vincent Dalschaert kende als ‘schrijver’ van een Franse kapitein een zachter regime en bleef op post. Hij werd later deken van Zottegem, Jozef Lauwaert werd pastoor en Pieter Baeyens legde zijn geloften uiteindelijk niet af.

Oprichting van een nieuw herinneringskruis door Heemkring Wichelen
en vervaardigd door kunstenaar Herman Van Keymeulen

Kasteel Janssens

In 1834 was het kasteel (met prachtig besloten park) eigendom van de Wichelse burgemeester Joseph Judocus Beeckman. Via zijn schoonzoon ging het over op de familie Janssens de Varebeke, fabrikanten uit Sint-Niklaas. Na verkoop kwam de woning in handen van huisarts Hilaire De Waele, die de orangerie en het tuinpaviljoen liet slopen en de lusttuin richting Moleken liet verkavelen. Vanaf 2015 werden de laatste kavels in de tuin aan de Gebuurweg verkocht.

Het kasteel Janssens is een alleenstaand herenhuis van zes traveeën en twee bouwlagen boven een souterrain onder leien schilddak. De gevels waren oorspronkelijk gepleisterd en wit geschilderd op een hoge sokkel in afgevlakte bossage, vandaag de dag ontpleisterde baksteen op een lage plint van hardsteenplaten.

Bijzonder is de linker rijrisaliet met rondboogpoort met empiregetint bovenlicht (vleermuismotief met pijlen) geflankeerd door pilasters met hardstenen neuten, imposten en dekstenen.

Het venstergegeven is opmerkelijk: hoge rondboogvensters met bewaard schrijnwerk, waaiervormig bovenlicht en raamluiken

De linker zijgevel van twee traveeën is witgeschilderd, aan de Gebuurweg met onder meer blinde halfcirkelvormige nissen op de begane grond en aansluitende gewitte bakstenen tuinmuur, geleed door pilasters.

Door het huwelijk van Marie Angélique Beeckman, de enige dochter van notaris-burgemeester Beeckman met Theodoor Pieter Frans Janssens, een fabrikant uit Sint-Niklaas, die gedurende 33 jaar lid van het Belgische Parlement was, ging het domein over op de familie Janssens. De erfgenamen hebben het huis verbouwd in 1903, verlengden het achteraan en voegden er een uitbouw toe. En zo ontstond de benaming kasteel Janssens.

Het domein van burgemeester Beeckman voor de verbouwing tot kasteel

Bij overlijden van de ouders werd het kasteel toebedeeld aan zoon Frans, priester en professor erfelijkheidsleer aan de universiteit van Leuven die in 1924 overleed. Zijn broers en zusters werden nieuwe eigenaar en op 10 april 1929 verkochten de twee laatstlevenden het huis aan dokter Hilaire De Waele die het tuinpaviljoen en de orangerie liet slopen en het park verkavelen.

Bij de aftocht van de Duitsers aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zou de Duitse keizer enkele uren in het kasteel verbleven hebben, maar de ooggetuigen van dit evenement zijn helaas overleden… Ook nog het vermelden waard is dat eind de jaren ’60, begin de jaren ’70 in de tuin van het kasteel de Wichelse Nachten werden georganiseerd door burgemeester Herman Moens, waarop tal van Vlaamse en Nederlandse schlagerzangers zich van hun beste kant lieten zien.

Kapel Rimeir

Dit bedehuisje werd opgericht in 1861 door landbouwer A. Coppieters, met de hulp van buren die het, via een geldinzameling, mee hielpen opbouwen. Het is een gekalkt bakstenen gebouwtje op een gecementeerde lijst onder een pannen zadeldak met een ijzeren topkruis.

De kapel van de Rimeir staat op het grensgebied met Schoonaarde, “deelgemeente” van Wichelen tot ongeveer 1873, vandaar ook dat nu nauwelijks 200 meter verderop, op het huidige grondgebied van de stad Dendermonde, zich een ‘Rimeirweg’ bevindt. Het was bij de bouw van de kapel dus één wijk van grotere en kleinere landlieden, waar iedereen nog iedereen kende, het buurtleven volop leefde en er een groot samenhorigheidsgevoel bestond.

Al vrij vroeg in de 19e eeuw kwam er gemor in Schoonaarde, omdat de bewoners van de wijk een lange weg te voet moesten afleggen naar het gemeentehuis en de kerk die toen op het Oud Dorp gelegen waren. Bovendien was Schoonaarde ontevreden omdat de meeste openbare werken op het grondgebied van het huidige Wichelen werden ondernomen. Die twist leidde uiteindelijk tot de oprichting van een zelfstandige gemeente Schoonaarde (1873). Op 1 januari 1977 werd het jonge dorp dan een deelgemeente van de stad Dendermonde.

Kapel Dreefstraat

Op basis van stijlkenmerken kan dit bedehuisje tussen 1791 en 1810 gedateerd worden. Het is gelegen langs de voormalige heerweg van Gent naar Dendermonde. Het was oorspronkelijk eigendom van de kasteelbewoners op de Margote.

Volgens het kadasterarchief was de kapel rond 1880 eigendom van Theodoor Pieter Frans Janssens – Beeckman, fabrikant en eigenaar van het kasteel Janssens op de Margote, erfgenaam van de eerdere kasteelbewoners Alphonse Janssens de Varebeke en zijn echtgenote Coleta De Schrijver. Nu is ze eigendom van de familie De Both, die de kapel samen met een weide kocht en daar een boerderij op bouwde. De familie was ook actief in het ontzavelen van de omliggende gronden.

Deze kapel is als monument beschermd sedert 11 januari 2012.

De kapel is opgericht als ‘Troost der Bedrukten’, voor mensen die het moeilijk hebben, om welke reden dan ook. Ze heeft een zadeldak met zwarte pannen en een ijzeren topkruis. De baksteenbouw is gewit waarbij de gestucte deuromlijsting in de voorgevel wordt gevormd door pilasters, een hoofdgestel en driehoekig fronton. In beide zijgevels zitten rondbogige venstertjes met een ijzeren tracering en gekleurd glas. In het interieur valt het gepleisterd en beschilderd tongewelf op.

In de vorige eeuw deden nijvere buurtbewoonsters hun ronde tijdens de meimaand om de kapelletjes op onze gemeente kleurrijk te bebloemen. ’s Avonds kwam de buurt hier dan samen om rozenhoedjes te bidden en de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Deze kapel lag ook op het parcours van de traditionele sacramentsprocessie, georganiseerd op de tweede zondag na Pinksteren. Daarbij droeg de parochiepriester het Allerheiligste Sacrament, de heilige hostie, in een monstrans door de straten. Jonge meisjes strooiden daarbij kwistig rozenblaadjes, groen van geschoren hagen of veelkleurige papiersnippers in het rond.

Kapel Bohemenhoek

De kapel vandaag

Dit bedehuisje werd rond 1865 in een sobere neoclassicistische stijl opgetrokken op initiatief van de priesterfamilie Roggeman die op het grensgebied tussen Wchelen en Schoonaarde woonde. In 1991 is ze grondig gerenoveerd. Ze heeft een sobere, neoclassicistische stijl met een zeszijdige koorsluiting.

De kapel is eigendom van de tandartsenfamilie Van Cromphaut-Van Hauwermeiren en wordt traditioneel onderhouden door opeenvolgende buurtbewoners.

De kapel is als monument beschermd sedert 11 januari 2012.

De kapel van Bohemenhoek is opgebouwd met rode baksteen en wordt gekenmerkt door uitgesproken wit gekleurde voegen op een nieuwe lage hardstenen plint. Ze is afgedekt met een leien zadeldak. Het koor heeft een meerzijdig tentdak met een bekronende koperen bol en een smeedijzeren kruis.

Ze staat in een zijstraat van de drukke steenweg van Dendermonde naar Wetteren die verbinding geeft met het agrarische deel van onze gemeente.

De kapel voor ze werd gerenoveerd

Huis Govaert

Het gezin Govaert in het deurgat van de vroegere herberg “De Engel”

Architect Théophile Présiaux uit Lede en afkomstig uit de Wichelse Mosstraat heeft in onze gemeente enkele opmerkelijke woningen ontworpen. Dit is er één van.

In opdracht van hoofdonderwijzer Philemon Govaert werd in 1911-1912 een hoekhuis gebouwd op de plaats waar voorheen de herberg “De Engel” stond, het vergaderlokaal van de fanfares Sint-Cecilia en De Clemenskring. Deze bijzondere woonst werd van 1916 tot 1933 verhuurd aan een notaris en nadien bewoond door de bouwheer Govaert en zijn gezin.

Dit half vrijstaande hoekhuis is eigenlijk een diep enkelhuis. De lange zijgevel aan de kant van de Statiestraat werd als tweede zichtgevel evenwaardig als de korte voorgevel uitgewerkt. Door de toepassing van een schilddak en een schuine sokkel werd het totaalvolume beklemtoond, wat bijdraagt tot de allure van de woning. De schuine hoektravee verkreeg door een brede erker onder een hoog puntgevelvormig dakvenster met bekroning, een extra accentuering.

Naar materiaalgebruik en decoratie zijn de straatgevels in de typerende eclectische stijl van Théophile Présiaux uitgewerkt met zijn in die periode gebruikelijke mengeling van baksteen, breuksteen, hardsteen en gekleurde bakstenen. De witte stenen omlijsting van de muuropeningen, op de gevelhoeken en in banden die de vensterregisters aflijnen, hebben een sterk aandeel in de gevelcompositie. Ook de uitgewerkte gewitte kroonlijst vormt een bepalend element.

Opmerkelijk is het tot in de kleinste details intact bewaarde voorkomen van de straattegels. Zo bewaren de speelse spiegelboogvormige muuropeningen hun origineel schrijnwerk met decoratieve kleine roedeverdeling, deels met gekleurd glas. Ook de verdiepte deur bezit hout- en ijzerwerk dat van een verfijnde afwerking getuigt. Een interessant detail is onder meer het authentieke ijzeren deurbeslag met handvat dat de brievenbusopening omlijst, uitgevoerd in art-nouveaustijl.

De brievenbusklep draagt in reliëf het opschrift “LETTRES”. De omkrullende blaadjes van de rozetjes op de I-balk van de erker zijn eveneens typerend voor ontwerper Théophile Présiaux. Het interieur behield zijn oorspronkelijke indeling van een gemiddeld groot burgerhuis, versierd evenwel met opmerkelijke art-nouveau-ornamenten zoals koperen handgrepen, geëtst glas en imitatiemarmer. De ruim ommuurde achtertuin maakt historisch integrerend deel uit van het goed.