Hoeve Moens

De hoofdactiviteit van de boerderij op wijk Bogaert was in het begin van de 20ste eeuw het kweken van hengsten, in de jaren ’30 begon de teelt van lavendel en in de jaren ’60 en ’70 werden in serres tomaten gekweekt. De bewoners van dit huis waren naast landbouwer, ook politieke zwaargewichten op onze gemeente : August Moens was burgemeester tussen 1921 en 1936, Herman Moens burgemeester van 1959 tot 1972 en Frans Moens OCMW-voorzitter tussen 1977 en 1983.

Volgens het kadasterarchief stond hier reeds in het begin van de 19de eeuw een klein, haast gesloten hoevecomplex, oorspronkelijk met stokerij, en dat alles was al in het bezit van de familie Moens. De vernieuwing en vergroting had plaats in 1913 en 1914 terwijl in 1923 een aan de straat palend kleurrijk groot boerenburgerhuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder een kunstleien wolfsdak met vorstkam en bliksemafleider werd gebouwd.

Dit bakstenen dubbelhuis op hardstenen plint met deurrisaliet en gevelhoeken wordt gemarkeerd door contrasterende witgeschilderde hoekkettingen, versierd met hardstenen diamantkoppen.

Opvallend zijn de horizontale accenten van wit geglazuurde baksteen met gekleurde vulling in zelfde materie, het aflijnend hoofdgestel met gekleurde tegelfries, de houten kroonlijst en de muuropeningen met kleurrijke bogen en diamantkop als sluitsteen.

De benedenvensters bevinden zich onder latei met rozetjes en de fraaie dubbele deur heeft beglaasde deurlichten en gesmede ijzeren bloemmotieven en ze is geflankeerd door geprofileerde hardstenen deurstijlen. De haakse achterbouw van vóór WO I is ongewijzigd behouden.

Uit de gekweekte lavendel werd ook olie geperst, waarvan de kwaliteit alom geprezen werd. De activiteit ging tijdens de Tweede Wereldoorlog langzaam teloor omdat de mensen andere zorgen hadden. Daarna werden nog goudsbloemen gekweekt, waarmee zalf werd gemaakt die wonden samentrekt, de huid herstelt en desinfecteert. Typerend voor ons Vlaams katholiek verleden: boven twee gekoppelde staldeuren is een mijterboogvormige nis gebouwd met, achter glas, het beeld van Sint-Antonius met varkentje.

Hoeve Blondeel

Frederik Blondeel

Deze boerderij draagt in zijn kern sporen uit de 17de eeuw, het gevelsteentje met de datum 1786 verwijst naar de uitbreiding van de woning aan de noordoostzijde.

In het interieur zijn de balklagen met zware versierde moerbalken en paneeldeuren bewaard. Een moerbalk met gleuf van een vroeger schoorstuk wijst mogelijks op een vroegere vakwerkbouw. Een slaapkamer achter aan de uitbreiding van 1786 bezit een stucplafond met omlopende hollijst en stucprofielen, een schouwboezem met lijstwerk en guirlande in Lodewijk XVI-stijl. Er is ook een opkamer met een zware moerbalk met een kunstig versierd uiteinde.

De hoeve is als monument beschermd sedert 13 september 1996.

De boerenwoning telt zes traveeën en één bouwlaag onder een hoog zadeldak van Vlaamse pannen. De erfgevel is wit geschilderd en rust op een grijs geschilderde plint, afgelijnd door een geprofileerde bepleisterde daklijst. De familie Blondeel heeft ook de grond geschonken waarop nu de “nieuwe” Sint-Annakapel staat, ten noordwesten van de woning.

Honderd jaar geleden was de boerderij met de stallen, de dieren en de hooizolder, de ‘schelf’, een echte trekpleister voor de jeugd. Ze lieten er hun fantasie de vrije loop, haalden kattenkwaad uit en beleefden er avonturen zoals je die kunt lezen in ‘De Witte van Zichem’ van Ernest Claes.

De hoeve is gelegen aan de dries van d’Hulst, op de oude weg naar Lede, waar oorspronkelijk wel meer agrarische bedrijven actief waren: de boerderijen Lammens, Pieters, Van Leuven, Keppens, Triest en Matthijs deden aan akkerbouw en veeteelt. In het zuidoosten van de dries bevindt zich nog een veedrenkpoel, de oorspronkelijke gemene weide is nu nog telkenjare eind juli het decor van een wijkkermis.

Elsbrugkapel

Jules Siau
De nieuwgebouwde kapel op Elsbrug

Dit bedehuisje langs de oude steenweg naar Lede werd gebouwd na de behouden thuiskomst van soldaat Jules Siau na WO I door de lokale metselaar Leo De Schutter. Het is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand en de H. Antonius.

Een metselaar van de Elsbrug zelf, Leo De Schutter, heeft de kapel gebouwd op grond van de familie Siau langsheen de oude steenweg naar Lede. Het bedehuis is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand en de H. Antonius. Het is een bakstenen gebouwtje van één travee met een driezijdige sluiting, een gecementeerde plint en een kunstleien dak.

Na de verkaveling van de gronden naast de boerderij in 2014, is de kapel afgebroken en steen voor steen naar het originele plan heropgebouwd, zodat de moderne woningen ernaast hun beslag konden krijgen.

De oude kapel in afbraak en op de achtergrond de nieuwe kapel in aanbouw

De Elsbrugkapel is een schoolvoorbeeld van de Vlaamse katholieke traditie binnen de aloude boerenfamilies: schenking van een grond en bouwen van een kapel bij de goede afloop van een onzekere situatie. Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men u, Maria, tegen. Wichelen is van oudsher immers een landbouwersgemeente, een verzameling van wijken met boerderijen en enkele werkmanshuisjes, her en der in het landschap verspreid. Kantwerk (blommenwerk) voor vrouwen werd er sedert de 19de eeuw populair, terwijl de mannen naast hun job vaak ook nog een klein boerderijtje met enkele dieren, soms kleinvee, beredderden. Uiteraard waren er ook verschillende grotere agrarische bedrijven die aan akkerbouw en veeteelt deden en daarvan ruimschoots in hun levensonderhoud konden voorzien. Pas tegen het einde van de 19de eeuw werden er in onze gemeente fabrieken opgericht, zoals de textielfabriek Peeters op het Oud Dorp en de weverij Verdonck in de Brugstraat.

Inzegening van de nieuwe kapel met o.m. Burgemeester Kenneth Taylor, schepen Danny Praet, diaken William Van Driessche en pastoor Peter Bracke

Domiens Hof

René Van Hauwermeiren

Dit boerderijcomplex op de Rimeir was één van de belangrijkste boerderijen in het agrarische Wichelen van de 19de eeuw. Het heeft de vorm van een gesloten Brabantse vierkantshoeve, een verwijzing naar het feit dat onze gemeente deel uitmaakte van het Land van Aalst, een van oorsprong Brabantse stad. Domien Van Hauwermeiren was de “aartsvader” van dit bedrijf.

De kleinzoon van Domien was René Van Hauwermeiren, tussen de jaren ’60 en ’90 consul-generaal en ambassadeur van België in Bern, Rome, New York en Caracas (Venezuela), hier geboren en getogen. Een latere bewoner van deze hoeve was René De Meester van de Uitgeverij Lektura in Wetteren.

Als telg van Domiens Hof was René Van Hauwermeiren tijdens zijn studententijd in Leuven een hevig supporter van zijn dorpsgenoot Sylvain Grysolle, winnaar van de Ronde van Vlaanderen in 1945. Omdat hij zo hartstochtelijk met hem dweepte, doopten zijn medestudenten hem zelfs om tot ‘Grysolle’. Hij werd ook voorzitter van de Grysollevrienden, de lokale wielerclub. In 1970 was hij op audiëntie bij de paus.

René Van Hauwermeiren bij paus Paulus VI

Als lid van de Uitgeweken Wichelaars was René tot aan zijn overlijden een opmerkelijke gast op de jaarlijkse bijeenkomst van de vereniging op de maandag van septemberkermis. René’s zus Anna huwde met tandarts Gilbert Van Cromphaut en vestigde zich op de Margote. De familie is ook eigenaar van de grond waarop de kapel van Bohemenhoek is gebouwd.

En hoe verging het Domiens Hof nadat de familie Van Hauwermeiren ze kort voor de Tweede Wereldoorlog (1938) verliet? Eerst nam de familie Coopman uit Vinkt er met haar vier zonen haar intrek. Hun boerderijtje in die huidige deelgemeente van Deinze was te klein geworden voor hun uitdeinende activiteiten. Daarna kwam de hoeve in handen van de familie August Derde, die ze gedeeltelijk verkocht aan het verplegersgezin Leo Bracke. Zij maakten er een comfortabel verblijf van met respect voor de oorspronkelijke indeling. Vervolgens werd uitgever René De Meester eigenaar, die ze op zijn beurt doorverkocht.

Directeurswoning Verdonck

Het personeel van weverij Verdonck (na 1900) met links de fabriek en rechts de woning van de directeur

Deze villa ligt op de oorspronkelijke weg van het Land van Aalst naar het Land van Waas, kort voor de oude Scheldebrug naar Uitbergen.

Julius Verdonck, de eigenaar van de in 1897 opgerichte matrassenfabriek die later evolueerde tot mechanische weverij, heeft aan de overzijde van de Brugstraat, in 1911 een villa opgericht die bewoond werd door de toenmalige weverijdirecteur, Ward De Dijcker.

De kunstenaar Guy Leclercq en zijn echtgenote Thérèse Van Hiel, die in 1980 eigenaar werden van de villa, hebben deze directeurswoning grondig gerenoveerd met zoveel mogelijk respect voor het oorspronkelijke ontwerp. Achteraan kwam een imposant atelier en bij de veranda werd het terras met balustrade gesloopt.

De villa heeft een L-vorm met twee bouwlagen en een leien schilddak dat uit vier schuine vlakken bestaat en een brede oversteek heeft.

De stijl van het gebouw is eclectisch, een combinatie van verschillende historische stijlen of stromingen, wat ook bij de bouwwerken van architect Théophile Présiaux terug te vinden is (villa Dora aan de treinhalte – huis Govaert op de hoek van de Statiestraat en de Margote).

De villa is opgetrokken uit rode baksteen met daartussen banden van gele steen. De voorgevel is asymmetrisch opgebouwd met een brede inrijpoort en overspannen met een boogvormig venster. Per verdieping steekt een erker uit boven de drie vensters met helemaal bovenaan een puntgevel. Naast de vensters is er een smal gedeelte met boven de deur een korfboog. Rechts van de villa is de al vermelde veranda aangebouwd. Opmerkelijk is ook de mooie paneeldeur, een deur opgebouwd uit verschillende panelen en hier gecombineerd met glas.

De oude Scheldebrug

De Scheldeovergang van Wichelen naar Uitbergen was en is nog steeds een cruciaal verbindingsstuk op de weg van het Land van Aalst naar het Land van Waas. De bestaande veerpont werd in de loop van de 19de eeuw totaal onvoldoende geacht en door betrokken gemeenten werden onverdroten plannen gemaakt voor het optrekken van een brug en de financiering ervan.

Pas in 1881 kwam, na moeizame graafwerken en jarenlange verkoop van aandelen om de kosten te financieren, een draaibrug over de Schelde tot stand. Het wegdek van deze brug kon gedeeltelijk dwars gedraaid worden wat de drukke scheepvaart verder mogelijk maakte.

De gebruikers van de brug moesten evenwel tol betalen, wat principieel gold om de in het brughuis wonende bruggendraaier en de aandeelhouders te vergoeden.

Het in 1882 door de gemeente Uitbergen gebouwde en nog steeds bestaande brughuis aan de overkant van de stroom is een project van de in Wichelen geboren architect Théophile Présiaux die ook verantwoordelijk is voor Villa Dora en Huize Govaert te Wichelen.

Hoewel er voordien al een systeem van subsidie was ingevoerd, werd de brug in 1900 uiteindelijk volle staatseigendom.

De brug werd tijdens de Eerste Wereldoorlog licht beschadigd en tijdens de Tweede Wereldoorlog tot tweemaal toe opgeblazen. In 1940 lagen er meerdere dagen Belgische genietroepen gelegerd bij de brug. Pas toen de Duitsers naderbij kwamen, werd de brug vernield om de vijand tegen te houden.

Het herstel van die eerste brug was niet meer mogelijk. Tussen 1940 en 1942 werd onder Duits bestuur een nieuwe brug gebouwd volgens plannen van de Duitse genie. Het werd een soort ophaalbrug waarbij twee brugdraaiers, één aan elke kant, de brug gelijkmatig moesten opdraaien. Naar het schijnt was het werk, door de plaatsing van de vele tegengewichten, heel wat eenvoudiger dan het vroegere systeem. In 1944 werd de brug door de zich terugtrekkende Duitsers deels gedynamiteerd. Met gebruik van allerlei hulpmiddelen konden de voetgangers toch nog door en als het hard vroor kon men te voet over de Schelde! In volgende jaren werd de brug in de mate van het mogelijke hersteld.

Het bestaande euvel verdween echter niet: de twee korte Scheldebochten en de eruit volgende mogelijke gevaarlijke stromingen zorgden ervoor dat binnenschippers door aanvaring van het staketsel voor averij bleven zorgen. Herstellingen en aanpassingen bleken niet afdoende.

Na moeizame onteigeningen en ingewikkelde procedures en onderhandelingen over de toegangswegen kregen Wichelen en Uitbergen een eindje verderop uiteindelijk in 1963 een nieuwe brug.

Brouwerij Lalemant

De voorgevel van de voormalige dorpsbrouwerij Lalemant is bewaard. Daartegenover lag vroeger een lusttuin met prieeltje en torentje, die later in functie van de brouwerij werd omgevormd tot losplaats en aanlegkaai. Brouwer Frans-Jan Lalemant was tussen 1836 en 1873 achtereenvolgens gemeenteraadslid, schepen en burgemeester. Aan het eind van WO I werden de brouwactiviteiten stopgezet na de opeising van het koper van de brouwinstallatie door de Duitse bezetter.

In het begin van de jaren ’30 kochten graanhandelaar Jozef De Craene en zijn echtgenote Maria Julia Steenhaut het pand voor de ontwikkeling van zijn activiteiten. Hij was de grootvader langs moederszijde van o.a. Jacques Van Keymeulen, professor-emeritus dialectologie aan de UGent, die hier zijn jeugd doorbracht.

Ter gelegenheid van Open Monumentendag 1999 hebben de toenmalige bewoners Anna De Craene, Evarist Van Keymeulen en zijn echtgenote Maria De Craene honderden bezoekers rondgeleid in de woning die volgens hen gebouwd is in Louis-Philippestijl, deels op restanten uit de 16e eeuw en deels op reusachtige bierkelders uit de 17e eeuw.

Op deze plaats of ongeveer op deze plek stond begin 17e eeuw de brouwerij Vogelare, toebehorend aan Jan De Knijf en Joanna Van Dijcke. Ze werd in 1647 verkocht aan een koopman uit Dendermonde.

In 2006 werd het hele complex verbouwd tot een meergezinswoning, maar de voorgevel is in zijn originele staat bewaard.

Volgens archiefdocumenten werd in 1886 het meer dan honderdjarig bestaan van de brouwerij Lalemant gevierd (zie foto onder). Een intussen verdwenen wapensteen met jaartal 1597, afkomstig uit een keldergewelf van de brouwerij, kan mogelijks van de site zelf voorkomen.

Brouwer Judocus-Jozef Lalemant (1773-1861) was de vader van de al vermelde politicus Frans-Jan, wiens broer Leo tot 1892 de exploitatie voortzette. Door huwelijk werd de brouwerij later D’Hooghe en D’Hooghe-Lalemant genoemd. De begane grond van het voormalig brouwershuis verheft zich boven het straatniveau en wordt voorafgegaan door een gevelbreed bordes met trap tegenover de voordeur. Het heeft een langgerekte rechthoekige vorm van zeven traveeën onder een zadeldak met een typisch midden-19de-eeuws voorkomen. Het enige opvallende gevelornament is de hardstenen deuromlijsting. In het kroonlijstje bemerken we twee keer twee gekruiste moutstokken, traditionele brouwersattributen die de enige verwijzing vormen naar de vroegere activiteiten op dit terrein.

Begraafplaats Oud Dorp

Deze begraafplaats was oorspronkelijk het kerkhof rond de oude Sint-Gertrudiskerk uit de 12de of 13de eeuw, die na verval in 1870 werd afgebroken. De grafkapel waar de lokale pastoors zijn begraven, centraal op de begraafplaats, geeft de locatie aan. In de centrale gang bevinden zich enkele fraaie grafmonumenten.

Ook het ereperk van de oud-strijders van beide Wereldoorlogen, gelegen in de noordwestelijke hoek en dat van de kloosterzusters Sint-Vincentius a Paulo in de middelste gang, zijn getuigen van onze plaatselijke geschiedenis.

In 1981 werd de begraafplaats een eerste keer uitgebreid achter de grafkapel, in de richting van de Schelde. Daar bevindt zich ook de Marculphusbron, een heilige aangeroepen tegen koningszeer of kliergezwellen.

Meer dan 20 jaar later werd de begraafplaats weer groter gemaakt, deze keer tot op het terrein waar eertijds een deel van de verdronken wijk Paddenhoek was gesitueerd.

In de oude kerk op dit kerkhof werden de relikwieën van Sint-Markoen bewaard. Tijdens het Ancien Regime begon de eerste dag van de maand mei de solemnele begankenis te zijner ere. Bedevaarders lieten hun zieke ledematen met het water van de bron, gelegen achter de huidige kapel, inwrijven. Tot rond 1860 lokte de bedevaart vele geïnteresseerden, temeer omdat ze liep tijdens de dagen van meikermis en de jaarmarkt hier op het Oud Dorp.

De Marculphusbron
De Paddenhoek en het kerkhof

Achter de kerk en het kerkhof lag eertijds de Paddenhoek. In die laaggelegen wijk, dicht bij de rechteroever van de Schelde gelegen, woonden tot in de jaren ’60 ruim twintig gezinnen, letterlijk als ‘mensen achter den dijk’. De dijk begaf het echter geregeld, zodat de overheid tot onteigening van de daar gelegen kleine boerderijen en werkmanshuisjes is overgegaan. Het grootste gedeelte van de Paddenhoek is nu gelegen in het gecontroleerd gereduceerd getijdengebied (GGG) Bergenmeersen, dat deel uitmaakt van het in Vlaanderen uitgevoerde Sigmaplan, hier ter bescherming van de verstedelijkte gebieden Dendermonde en (vooral) Wetteren. Bij storm- en springtij functioneert het ook als overstromingsgebied.

De Bergenmeersen en de Paddenhoek overstroomd na springtij op 31 december 2013